De oude kustweg N125 die door het oosten van de Algarve slingert

Reisgids

De N125: onze langzame route door het échte oosten van de Algarve

Wij hadden één regel voor deze reis: geen snelweg. Niet omdat we tijd zat hadden — die hadden we niet — maar omdat we wisten dat de mooiste stukken van de Algarve zich niet laten zien vanaf de A22. Die tolweg, sinds 1 januari 2025 trouwens gratis, brengt je razendsnel van oost naar west langs viaducten en geluidsschermen — en precies langs alles waarvoor we gekomen waren. Dus namen we de N125: de oude kustweg, die zich niet haast en dwars door het dagelijks leven van de Algarve loopt.

Het begin: waar het toerisme ophoudt

We waren geland op Faro met een goedkope vlucht vanaf Rotterdam, hadden een kleine huurauto opgehaald en een simpele studio geboekt via een lokale verhuurder — geen resort met polsbandjes, maar een appartementje tussen de Portugezen in.

En toen reden we juist de verkeerde kant op. Weg van de bekende badplaatsen, naar het oosten, richting de Spaanse grens. Daar, waar de meeste toeristen niet komen, begint de N125 pas echt te leven: de weg wordt smaller, de reclameborden verdwijnen, en tussen de sinaasappelboomgaarden door duiken de eerste witte dorpen op.

Cacela Velha: het eerste dorp dat ons stil maakte

Je parkeert aan de rand, want verder kan de auto niet. Vanaf het zandpad zie je het al liggen: een handvol witte huizen op een klif, een kerkje, een fort, en daarachter niets dan de glinsterende lagune van de Ria Formosa.

We liepen de kasseien op zonder plan. Een oude vrouw hing was op, ergens sudderde iets op een pit, en beneden aan het water lagen de oesterbedden bloot in de zon. Aan de wankele tafeltjes bij de lagune worden hier oesters geserveerd die een uur eerder nog in het water lagen — met niets dan citroen, voor een fractie van wat ze in Parijs kosten. Dit was geen bezienswaardigheid om af te vinken. Dit was gewoon een plek om te zijn.

Santa Luzia en Fuseta: waar de zee het werk bepaalt

Een kwartier verder ligt Santa Luzia, en je ruikt het bijna voor je het ziet. Op de kade stonden stapels bruine kleipotten, honderden, netjes op elkaar — de traditionele manier waarop de vissers hier al generaties lang octopus vangen. In de restaurantjes langs het water staat op elke kaart hetzelfde hoofdgerecht: polvo, octopus, op een dozijn manieren.

Nog een stukje westwaarts stopten we in Fuseta, een dorp dat om zijn haven draait. Het was laag water; wij trokken onze schoenen uit en liepen dwars door de lagune naar het eilandje ertegenover — een klein half uur door ondiep, warm water naar witte duinen waar verder niemand was. Terug op de kade lag de vangst van die ochtend al op de grill.

Olhão: de markt als kloppend hart

Olhão was het drukst en tegelijk het echtst. We waren er vroeg, en dat is het geheim: voor tien uur gonst de vismarkt van de locals — vissersvrouwen achter de kraam, koks die inkopen doen, oude mannen die kritisch de kieuwen keuren. Daarna, als de toeristen komen, is de sfeer weg.

Vanaf de kade nam een klein bootje ons voor een paar euro mee naar de eilanden Armona en Culatra, waar Portugese gezinnen hun weekenden doorbrengen op stranden zonder ook maar één parasolverhuur. Het verschil met de watertaxi, die tien keer zoveel vraagt voor dezelfde overtocht, ontdekten we pas later. Zo werkt het hier: het echte is bijna altijd het goedkoopste.

En dan Faro: het einde dat een begin is

De N125 loopt uiteindelijk uit op Faro, waar de meeste mensen hun reis beginnen en meteen doorrijden naar het westen. Wij deden het omgekeerd, en reden onze mooiste dagen dus juist naar het einde toe. Faro's ommuurde oude stad, met de ooievaarsnesten op de kerktorens, was een zachte landing na al die stille dorpen.

Toen we terugreden naar de luchthaven wisten we het zeker: de Algarve die wij hadden gezocht, lag niet aan de boulevard. Hij lag langs deze oude weg, op een halve dag rijden, voor wie de moeite neemt om af te slaan.

Praktisch

  • De weg: neem de N125, de oude kustweg. Langzamer dan de A22, maar hij voert je juist dóór Cacela Velha, Santa Luzia, Fuseta en Olhão. De A22 is sinds 1 januari 2025 ook gratis, maar slaat al deze plaatsen over — de keuze gaat dus puur om wat je onderweg wilt zien.
  • Heen komen: wij vlogen goedkoop met Transavia vanaf Rotterdam naar Faro. Controleer de actuele routes en dagen; buiten het seizoen zijn er minder vluchten.
  • Ter plaatse: een kleine huurauto is ideaal voor deze route. Wil je zonder auto? De regionale trein Faro–Vila Real stopt in Olhão, Fuseta en Vila Nova de Cacela — een goedkoop alternatief langs vrijwel dezelfde dorpen.
  • Overnachten: kies een appartement of studio in een van de dorpen in plaats van een groot resort. Je zit dan middenin het lokale leven, meestal voor minder geld.
  • Tijd nemen: reken op een halve dag per dorp. De hele oostelijke strook doe je comfortabel in twee dagen, met genoeg tijd om nergens te haasten.
  • Contant geld: neem cash mee. Veel kleine terrasjes, marktkraampjes en veerbootloketten pinnen niet.

Bestemmingen uit deze gids